Tuesday, 2 February 2010

Beeeh...

Nee we zijn niet ziek (al heeft Steef aan de bootreis behalve een heleboel foto's ook een flink verkoudheidje overgehouden) en we zijn het nog niet zat, maar dit is wat we hier de hele dag horen: beeeeh... We zijn aangekomen op Hunter Valley Station, een enorme schapenboerderij aan de rand van Lake Hawea (een meer zo ongeveer naast Lake Wanaka waar we bijna een week geleden aan zaten). Er is hier niet eens een dorp; we moesten ergens van de highway af (die prachtig door de bergen heen slingerde dus we hebben heel wat stops gemaakt) en dan 11 km over een hobbeldebobbel gravelweg. Waar de boerderij zelf zit hebben we niet eens gezien, we zijn ergens op het terrein gedropt door eigenares Penny (spreek uit op z'n Nieuw-Zeelands: Pinny) die het ook nog 's niets uitmaakt hoe laat we hier maandag weer vertrekken.

Onze lodge is nog het best te beschrijven als zo'n barak waar je met schoolkamp in verblijft. Het is een grote soort van golfplaten schuur en we hebben misschien wel twintig stapelbedden om uit te kiezen als we zouden willen (en er is gelukkig ook nog een normale slaapkamer). Die andere kamers worden niet verhuurd zolang wij hier zijn dus we hebben een heel pand voor onszelf. Verder hebben we twee fornuizen, twee douches, en een barbeque waar je voor de hele familie de Jong tegelijk hamburgers op zou kunnen bakken. Onze enige buurman is schaapherder James, die we welgeteld twee minuten gezien hebben. Verder zijn hier alleen maar schapen, heel veel schapen, en een paar koeien, paarden en kippen. Aan de voorkant kijken we uit op Lake Hawea en de bergen daarachter, aan de achterkant de weilanden en nog meer bergen. Volgens Penny is hun terrein 20.000 acres; Steef heeft berekend dat dat 8000 hectare is?? We zijn er niet zeker van of dat klopt, wat we wel zeker weten is dat het onvoorstelbaar groot is.

Je kunt hier dus eindeloos rondlopen en we hebben heerlijk gezwommen in Lake Hawea (koud! maar wel lekker) met het mooiste uitzicht dat we ooit onder het zwemmen gehad hebben (sorry Finland). En Patries heeft eindelijk leren steentjes-keilen!

Zondag hebben we ook even kennisgemaakt met de lastige kant van zo'n afgelegen gebied. Op het pad voorbij onze lodge was kilometers verderop een mountain biker onderuit gegaan en lelijk gewond geraakt. Zijn maat kwam hulp halen, eerst is de boer er met een terreinwagen heengegaan (de weg is niet geschikt voor normale auto's) en inmiddels uren later kwam er een helicopter om hem weg te voeren. Je moet hier dus niks accuuts oplopen want dan ben je mooi de pineut. 

Maandag moesten we weer afscheid nemen van het boerenleven en zijn we naar de kust vertrokken, over de Haast Pass naar de andere kant van het gebergte: Westland. Steef voelde zich meteen thuis :-)  Al ziet het er wel een beetje anders uit; dichte, tropisch aandoende begroeiing, felblauwe gletsjerrivieren en klaterende watervallen. En 29 graden...  Al met al was het een fijn ritje naar de Tasmanzee.

(PS Excuses voor de rare lay-out van onze stukjes, we doen steeds ons best maar deze blogspot gooit alle tekst en foto's bijna willekeurig door elkaar. Ik denk dat ze maar op xml moeten overstappen ;->)

Monday, 1 February 2010

Doubtful Sound in de herhaling


















Spiegelfoto's




















In de wind op de boot + Uitzicht vanuit ons huisje in Manapouri









Op het moment dat ik dit schrijf zitten we in een lodge van een schapenboerderij, waarover later meer, maar we zitten hier zodanig in the middle of nowhere dat er zelfs geen GSM-bereik is, laat staan internet. Geeft ons mooi de gelegenheid om nog even iets meer te vertellen over de boottocht door Doubtful Sound.
Het was nog een heel gedoe om daar te komen, niet in de laatste plaats omdat het meisje dat ons de instructies voor het inschepen gaf, een Nieuw-Zeelands accent had waar je u tegen zegt (later bleek ook dat niemand, inclusief de twee Nieuw-Zeelanders aan boord, het allemaal goed begrepen had). Zo zouden we zweren dat ze ons naar een plek in de haven stuurde die iets van "re-genies" moest heten. Pas veel, heel veel, later ging ons een licht op; vanuit die haven worden de excursies georganiseerd door Real Journeys..
Uiteindelijk was iedereen dan toch min of meer op het juiste tijdstip op min of meer de juiste plek en werden we eerst door de reguliere bootlijn van Real Journeys over Lake Manapouri gevaren, o.a. langs Pomona Island wat een beschermd natuurgebied is geworden om bedreigde vogel- en plantsoorten weer een kans te geven. Er zijn in Nieuw-Zeeland van nature geen zoogdieren (m.u.v. vleermuizen); sinds de komst van de Maori en de Europeanen zijn er nogal wat dieren geintroduceerd die de inheemse soorten geen goed hebben gedaan. Zo zijn de possums binnengebracht vanuit Australie, vanwege de bonthandel. Die possums vreten echter de boomsoort kaal waarvan de nectar als voedsel dient voor bepaalde vogels, bijv. de tui. Ook zijn er konijnen meegebracht (voor bont en vlees), die een plaag werden, waarna de stoat (een nerts? in ieder geval een fret-achtig beest) is geintroduceerd om op die konijnen te jagen. De stoat vond helaas de loopvogels en hun eieren lekkerder waardoor dat allemaal bedreigde diersoorten zijn geworden. (Nu zie je overal in natuurgebieden kastjes staan met een ei erin, dat zijn vallen voor de stoat.)
Aan de overkant van het meer volgde een busreis die ons met een tussenstop bij het West Arm Underground Power Station (waar niks zinnigs over te zeggen valt, je wordt een paar honderd meter onder de grond gereden en daar zien je dan turbines draaien) afzette bij Deep Cove. Daar werden we opgewacht door onze zeilboot, de Breaksea Girl. Met ons gingen nog 7 passagiers aan boord; twee Nieuw-Zeelanders, twee Schotten en drie Nederlanders. Een klein groepje dus en gelukkig stuk voor stuk hele blije en gezellige mensen. Kapitein John, een praatgrage man vol mooie verhalen, heeft jarenlang biologen e.d. rondgevaren in dit gebied en kent het dus van binnen en van buiten. Hij is er vooral ook heel erg dol op, hij is overal ter wereld geweest maar vindt de Doubtful Sound nog steeds de mooiste plek op aarde. Leuk om te zien hoe hij alles na al die jaren nog net zo geweldig vond als wij.

De eerste dag zijn we door de Crooked Arm gevaren. We zaten overigens wel op een zeilboot, maar dat wil niet zeggen dat we echt gezeild hebben. Dat is niet mogelijk in de Doubtful Sound, heeft iets met de wind en de bergen te maken. Het gebied heet ook 'doubtful' omdat James Cook er bij zijn eerste aankomst niet in durfde varen, omdat hij het twijfelachtig vond of het schip er ook weer uit zou kunnen komen. Later heeft de Spaanse kapitein Malaspina het er wel op gewaagd, waardoor dit het enige gebied in Nieuw-Zeeland is geworden waar je Spaanse plaatsnamen vindt.
In Crooked Arm kwamen we al heel gauw de groep dolfijnen tegen die hier huist. In de Doubtful Sound zitten in totaal ongeveer 60 bottlenose dolfijnen. John weet heel goed in te schatten waar ze zitten en vooral waar ze heen willen, wat een fijne vaardigheid is want als je de juiste kant op vaart, gaan de dolfijnen 'meeliften' op de boeggolf. Je kunt ze dan bijna aanraken zo dicht bij de boot komen ze. De bottlenose dolfijnen zijn hier groter dan elders, omdat het water hier erg koud is (max 11 graden in de zomer). Een machtig gezicht om ze aan alle kanten om je heen te zien zwemmen en springen.

De Crooked Arm weer uit en helemaal naar de monding van het fjord bij de zee kwamen we bij de volgende mooie familie, de zeehonden. Die zijn voornamelijk 's nachts in het water om vis te vangen, dus we hebben ze lekker lui op de rotsen zien liggen. Het is een vrij grote populatie en er waren ook veel kleintjes bij (lief!!), wat heel goed is want de zeehonden zijn hier bijna uitgeroeid geweest. Na de ontdekking van dit gebied werden hier bijna permanent zeehondenjagers gestationeerd, die dan steeds een paar maanden bleven om zoveel mogelijk zeehonden dood te knuppelen en te villen. Ze beleefden er trouwens zelf ook vrij weinig lol aan, want ze konden voor zo'n lange periode niet genoeg proviand meenemen en op de eilanden is niet veel eetbaars te vinden, dus na een poosje stond er alleen nog zeehond op het menu.

De volgende ochtend zijn we met een klein bootje de Camelot opgegaan. Het was zo windstil dat de rivier één grote spiegel was, we konden wel foto's blijven maken en ze zijn allemaal mooi geworden. Wel hebben we vooral hier kennisgemaakt met een minder mooi inheems beestje: de sandfly, een klein zwart vliegje met een venijnige prik. We hadden eerder al een spulletje gekocht hiertegen, met de vrolijke naam Goodbye Sandfly (spreek uit op z'n Nieuw-Zeelands: goodbooy sandflooy) maar het is vooral zaak om zoveel mogelijk in beweging of in de wind te blijven, of anders ze op tijd dood te meppen.
John heeft ons in een paar wandelingen het gebied rond Camelot laten zien. Op sommige plaatsen voel je je echt in de jungle, het is heel dicht regenwoud met af en toe open plekken waar watervallen naar beneden klateren. Er staan hier enorme oude bomen (wat eigenlijk een slecht teken is; jonge bomen krijgen bijna geen kans omdat ze worden weggevreten door herten die hier helemaal niet horen te zijn) en varens (tree ferns) van meters hoog (voor een tree fern van 30 cm schijn je in Engeland 350 pond te betalen, hier struikel je er zowat over..) Ook groeien hier veel bijzondere mossoorten. Eentje is zo zeldzaam dat John in de hele Doubtful Sound er maar drie stuks van weet te vinden; het is een plantje dat in miljoenen jaren niet is veranderd (en voelt heel gek aan, meer als schillen dan als blaadjes) en de mooie naam Tmesipteris draagt (wie meteen weet hoe je dat uitspreekt verdient een prijs!)
Verder heeft John ons meegenomen naar een kreekje waar enorme alen zwemmen en die zo afgelegen leven dat ze niet eens bang zijn voor mensen. Je kunt ze dus gewoon voeren; voor dit doel had John grote stukken lever meegenomen, die zowat uit je handen getrokken werden door die sterke beesten (met flinke scherpe tandjes, dus uitkijken voor je vingers).

Op de terugweg naar de zeilboot spotten we een van de hoogtepunten van deze tocht, waar zelfs John stomverbaasd over was: een Fiordland crested penguin op de rotsen. John had juist net verteld dat we die op z'n hoogst in het water zouden zien, omdat ze in deze tijd van het jaar zich niet (althans niet zichtbaar) aan land begeven. En prompt zat er daar eentje prachtig in beeld, een pinguin van ongeveer 70 cm hoog met een felgeel streepje bij zijn oog. In het water hebben we ook nog little blue penguins gezien, die zijn maar maximaal 40 cm groot dus als je die kopjes boven water ziet denk je bijna dat het gewone vogeltjes zijn.

Ook deze dag hebben we weer veel dolfijnen gezien en vooral 's avonds was dat een fantastisch gezicht om ze te zien springen in het maanlicht. John heeft ons ook nog het een en ander over de sterren verteld. Ik (Patries) vind het een heel gek idee dat je hier sterren kunt zien die je in Nederland niet kunt zien, en andersom - het zal wel logisch zijn maar ik had daar in ieder geval nog nooit bij stilgestaan! Hier in Nieuw-Zeeland zie je de Southern Cross, vijf sterren die samen - jawel - een kruis vormen en die op de vlag van Nieuw-Zeeland zijn weergegeven (of eigenlijk maar vier daarvan; Australie heeft ze wel alle vijf in de vlag zitten). Ook konden we Orion heel goed zien met Sirius en Taurus en wat daar verder nog allemaal bij hoort. In heldere nachten kun je hier de melkweg ook goed zien maar door de bijna volle maan was dat nu helaas niet zo.

Het wordt bijna saai maar ook de laatste dag hebben we weer tussen de dolfijnen gevaren. En wat heel mooi was, we kwamen nu ook een nursery pod tegen: een groep vrouwtjes met kleintjes. Er waren twee hele kleine dolfijntjes bij van maar een paar maanden oud, die al een beetje probeerden te springen en ongelofelijk schattig waren. Jammer genoeg waren ze ook onmogelijk te fotograferen dus dit moeten jullie maar gewoon van ons aannemen. De nursery pod komt nooit in de buurt van een boot, ze blijven veilig op afstand en liefst een beetje aan de rand van het water.

Hierna zijn we in Hall Arm rondgevaren, wat het smalste stuk van de Doubtful Sound is en waar je dus hele mooie doorkijkjes tussen de bergen hebt. Na de lunch was het alweer tijd om terug naar Deep Cove te varen, terug in de bus, terug op de boot en terug naar de bewoonde wereld...


Friday, 29 January 2010

Doubtful Sound

De afgelopen 3 dagen (2 nachten) hebben we doorgebracht op een zeilboot in de Doubtful Sound. Een Sound is hoe ze in NZ een fjord noemen. Er schijnt een verschil te zijn, maar dat is me alweer ontschoten.
Van te voren keken we hier al erg naar uit en onze verwachtingen zijn meer dan terecht gebleken, dit is absoluut een hoogtepunt van de reis.

We waren met in totaal 11 personen aan boord, inclusief kapitein en zijn vrouw die de catering (uitstekend!) verzorgde. De kapitein, John, was ook de gids en natuurkenner en nam overal uitgebreid de tijd voor om ons door het fjord te varen en uitleg te geven over planten, beesten, sterren en weet ik veel allemaal. Er zijn legio mogelijkheden om per commerciele tour een tochtje door een van de fjorden hier te doen, maar dan zit je op een grote boot met heel veel anderen en krijg je een standaard verhaal. Vast ook mooi, maar dit was veel relaxter en er ruimschoots ruimte voor eigen invulling. Een extra rondje omdat we nog wat meer foto's van een pinguin wilde maken, geen probleem, doen we gewoon.

Volgens John was het een hele goeie trip omdat we alles gezien hebben wat we wilden zien. Pinguins (2 soorten), zeehonden en heel veel dolfijnen. Dat is niet altijd geval, want je weet nooit waar die beesten uithangen en soms zijn ze er ook gewoon niet.

Voor nu laten we het er even bij, we laten de foto's voor ons spreken en wij gaan nu naar bed, want we zijn er moe van.

Monday, 25 January 2010

Berg Kook









Gisteren was weer een reisdag, van Tekapo naar Wanaka. Op de route kwamen we langs Mt. Cook National Park, met daarin de hoogste berg van NZ, ongeveer 3700 meter hoog. Vanaf de parkeerplaats bij het infocentrum was een wandelroute van 2 uur het park in. Snelle Jelles die wij zijn deden we dat in 45 minuten heen, en 35 minuten terug. De route heette het Kea Trail, maar we hebben geen enkele kea gezien. Kea's zijn bergpapegaaien die erg nieuwsgierig zijn en alles open- en lospeuteren waaraan te peuteren valt. We komen ze vast ergens anders in de bergen hier nog wel tegen.
Eigenlijk loop je in een enorme gletsjerbedding van de laatste ijstijd, je ziet steile berghellingen met gruis en aan het eind van het pad restjes van de brokken gletsjer die naar beneden zijn gevallen. Moeilijk te beschrijven, dus kijk maar naar de foto's.

We moesten natuurlijk nog verder rijden naar Wanaka dus na 2,5 uur in het nationale park zijn we weer verder gegaan en route 8 gevolgd, door Lindis Pass. Die voert je af en toe door een soort kaal maanlandschap en daarna weer over mooie wegen met veel bomen erlangs. Aan de andere kant van de pass valt duidelijk meer regen, hier is het veel groener dan waar we vandaan kwamen. Maar waar je ook bent, je kan bijna geen kilometer rijden zonder een veld te zien waar schapen lopen. En dan niet een paar, maar enorme aantallen en een hoop verschillende soorten.

Feitje van de vorige dag: Een e wordt hier uitgesproken als een i. Dus het klinkt meer als Tikapo. De dochter van de uitbater van de 1e B&B waar we verbleven zei niet "I'm going to bed", maar "I'm going to bid". Het duurde dan ook even voordat we begrepen dat de naam van een restaurant wat ons werd aanbevolen niet Pipi's was, maar Pepe's. :)

Wanaka zelf als plaatsje vinden we niet zo spannend. De omgeving is ook hier weer erg mooi, een meer met kraakhelder water met bergen erom heen. Maar de voornaamste reden dat mensen hierheen komen zijn de thrillseeking activiteiten. Skydiven, jetskien, helicoptervluchten naar de sneeuw en meer van zulke dingen. Niet ons soort bezigheden dus. Vandaag hebben we er dus maar een rustdag van gemaakt met een boek en rustig wandelingtje langs het meer. Aan de andere kant is het ook wel weer handig om een supermarkt en ruime keuze uit restaurants  en take-aways om de hoek te hebben.

Feitje van vandaag: Je verbrandt hier enorm snel. Vanwege het gat in de ozonlaag en de schone lucht. Vandaag was de UV-voorspelling op een schaal van 1 tot 10 zelfs 11: extreem risico. Dat betekent liefst niet in de zon tussen 11 en 4, zonnebril op en smeren. Sinds een paar jaar zijn hier flinke campagnes om iedereen daarvan bewust te maken wegens de  enorme aantallen mensen met huidkanker. We hebben factor 20 en 30 bij ons en we smeren braaf dus we zijn dan ook nog niet verbrand. Dat zou op zich wel kunnen want het weer is goed, ongeveer 22 graden met hier en daar een wolk.

Nog een feitje van vandaag: In de fjorden aan de westkust zwemt een visje met als officiele Latijnse naam: Fiordichtys Slartibartfasti. Mocht je daar de grap niet van snappen, dan heb je te weinig boeken gelezen. :)


Sunday, 24 January 2010

De eerste kiwidagen

Hoewel het een paar uur korter was, was de vliegreis naar Christchurch een stuk zwaarder dan die naar Singapore. De reis op zich ging helemaal prima, maar met een vertrektijd van 19:45 uur en een lokale aankomsttijd van 10:00 uur was het wel de bedoeling geweest dat we flink zouden slapen. Helaas dachten niet alle passagiers daar hetzelfde over, en we hebben dus nauwelijks een oog dicht kunnen doen. Maar de langverwachte aankomst op Christchurch zorgde voor een flinke stoot adrenaline waar we toch wel even mee verder konden. Steef had het linksrijden vrij snel onder de knie en in Darfield werden we meteen behoorlijk in de watten gelegd in de Oaks Historic Homestead. Verder was daar niet zo veel te beleven, wat goed uitkwam omdat Patries alsnog een dag ziek, zwak en misselijk werd van al het slaapgebrek en gedoe. Dat is dan ook gelijk het enige wat we gemerkt hebben van jetlag. Van andere Nederlanders hoorden we dat ze op zulke rare tijden slaap of honger kregen, maar wij hebben, afgezien van die paar keer dat onze ogen al voor tien uur 's avonds dichtvielen (vooral voor Steef ongekend vroeg), daar gelukkig bijzonder weinig van gemerkt. Ons geheim (denken we), niet overdag gaan slapen, maar gewoon de lokale tijden aanhouden om te gaan slapen en te eten. Een keer vroeg naar bed en je bent van je vermoeidheid af. De 1e dag ben je dan wel een beetje een zombie (zie foto van Patries :) ), maar dat geeft niet.

Op vrijdag zijn we naar Tekapo gereden, een dorpje met wel 315 inwoners en een kaal doch mooi gebergte met bijbehorend blauw/groen gletsjermeer. We begrijpen nu ook meteen wat mensen bedoelen als ze het over die typische Nieuw-Zeelandse kleur van het water hebben. Toen we ook nog een huisje met het beste uitzicht van het hele dorp kregen pal aan dat meer en die bergen was onze vakantie definitief begonnen.

Zaterdag hebben we onze eerste echte wandeling gemaakt, naar de top van de Mount John, waar de universiteit van Christchurch een observatorium heeft staan.

Weetje van de dag: Hoe heet de NZ treinmaatschappij? 1 keer raden. Kiwirail natuurlijk.
Deceptie van de dag: Kopen we kiwi's, komen ze uit Italie! Belacheloos. :)











I sweat me an accident

(Woord vooraf: we zitten nu vier dagen in Nieuw-Zeeland en hebben heel wat minder internetmogelijkheden dan we verwacht hadden. Vandaar dat de updates wat op zich laten wachten.)

De tweede dag in Singapore hebben we de drukke (of beter gezegd volle, want echt hectisch is het er niet) stad ontlopen en zijn we naar Fort Canning Park gegaan. Midden in de stad, maar daar merk je bijna niets van; de enorme hoeveelheid vogels en krekels overstemmen elk stadsgeluid. Het park staat vol met enorme, eeuwenoude bomen en prachtige bloemen waarvan we van geeneen de naam meer weten. Van oorsprong is het de plek waar in de 14e eeuw een paleis stond van de toenmalige Maleisische heerser en tot in de 19e eeuw was een heilige plek die verboden was voor gewone burgers. Toen de Britten de macht overnamen in Singapore werd daar rucksichtloss de boel opgeblazen, weggehakt en anderszins opgeruimd en vervolgens het Fort gebouwd. Hoezo heilig?

De bedoeling was dat we 'even' gingen wandelen maar er was daar zo veel te zien dat we ons bijna nog moesten haasten om te eten en te douchen voordat de taxi kwam om ons naar het vliegveld te brengen.

Een paar leuke feitjes die we deze dag te weten zijn gekomen:
Het is in Singapore verboden om de was aan het balkon te drogen te hangen, behalve in de government buildings. Als je dus ergens was ziet hangen (aan bamboepalen die recht uit het balkon steken) dan weet je dat dit sociale woningbouw is.
De weg naar het vliegveld heeft een brede baan waarop enorme aantallen potten met grote planten staan. In noodgevallen worden die potten weggehaald en dient de baan als startbaan voor de luchtmacht.
In de stad zijn op veel plaatsen underpasses zodat voetgangers onder de weg door kunnen i.p.v. dat ze moeten oversteken. Op fietsen in de underpass staat een boete van 500 euro. Overigens staat dezelfde boete op spugen op straat, en het niet doorspoelen van een openbaar toilet kost je 250 euro (gelukkig spoelen de meeste toiletten automatisch door...)